|
Zijn het om zo te zeggen zuivere registraties die ze maakt (zonder de ruis van mensen of auto’s), hun koelheid, hun objectivering wordt opgeheven enerzijds door de sensibiliteit waarmee ze de veelheid ordent tot een sprekend geheel dat zich niet gemakkelijk laat ontcijferen. De verborgen logica van de opbouw wordt versluierd door een spel van lijnen en kleuren. Steeds weer, ook na lang kijken, blijven ongeziene details zich aandienen. Anderzijds is er de herhaling van hetzij dezelfde foto’s, hetzij van dezelfde gebouwen maar dan vanuit een ander perspectief genomen. En dit geeft dynamiek en ritme aan het geheel. Is deze fotografie studieus, tegelijk is iedere compositie op zich af. Zo verwerft iedere foto zijn plaats in een reeks waarin nu eens de schilderachtigheid van het geheel zich toont, of een zekere abstrahering, of waarbij weer elders, ieder klein fotografisch beeld afzonderlijk zich naast een ander voegt om het in de totaliteit van de foto te bevragen, te profileren, kortom, om het te versterken. En waar de reeks ophoudt is het slechts om later weer op te duiken, verrijkt met de intussen nieuw opgedane fotografische inzichten en ervaringen. Zo situeert het werk van Evelyne Hendrikx zich tegen de achtergrond van het verstrijken van de tijd. Een tijd die hier en daar doorsijpelt in sommige reeksen – waar deze bijvoorbeeld vervat ligt in overdrijvende wolken of in de opeenvolging van gebouwen op eenzelfde terrein waar de kunstenaar met haar camera omheen is gelopen. Tekst: Daan van Speybroeck Een kunstwerk van Evelyne Hendrikx bestaat meestal uit tientallen, door de kunstenares zelf gemaakte digitale foto’s, strak geordend in een raster. We zien voornamelijk gebouwen. De titel vertelt ons doorgaans waar de foto’s zijn genomen. Een van de eerste dingen die opvallen bij het zien van Hendrix’ werk is de arbeid die erachter moet zitten. Bijna obsessief legt ze haar omgeving vast; elk gebouw dat ze ziet en haar op welke manier dan ook interesseert, gaat op de foto. Vervolgens ordent, knipt en plakt ze de foto’s net zo lang tot ze tevreden is over het resultaat. Op deze manier tracht zij de wereld om zich heen te begrijpen. Waarom ze uiteindelijk kiest waarvoor ze kiest, en wanneer ze precies tevreden is, kunnen wij niet weten. Maar het werk nodigt wel uit om er dieper op in te gaan, om zodoende meer begrip te krijgen van deze werken en de kunstenares die ze heeft gemaakt. Ondanks de rust die Hendrikx door middel van ordening creëert, is het werk tegelijkertijd chaotisch; de blik glijdt eroverheen, zonder sturing door perspectief, zonder een rustpunt te vinden. Door de strakke, schijnbaar objectieve ordening van de fragmenten binnen het geheel ontbreekt het aan hiërarchie. Je kunt je wel op elk detail apart concentreren, maar niets springt eruit, niets eist direct je aandacht op. Je zoekt in eerste instantie naar een herkenbaar beeld dat gevormd zou zijn door de fragmenten, zoals de mozaïeken van popsterren die bestaan uit talloze fotootjes van diezelfde popster, maar de zoektocht is tevergeefs. De puzzelstukjes zitten aan elkaar vast, maar blijven grotendeels autonoom. Je zult je moeten concentreren om ze te kunnen zien, en hun verband vast te stellen. Hendrikx interesseert zich niet bovenmatig voor de techniek achter de fotografie. Alleen de basisvoorwaarden moeten kloppen: natuurlijke kleuren, genoeg scherptediepte. Door een doodnormale camera te gebruiken, velt ze zo weinig mogelijk een oordeel over wat ze door haar lens ziet. Het besef dat je iets alledaags op de afbeeldingen ziet, wordt versterkt door de alledaagse kwaliteit van de foto’s. De losse foto’s zijn dan ook van ondergeschikt belang aan het geheel; het gaat om wat ze met elkaar doen en wat ze ons vertellen wanneer ze zijn samengevoegd. En het resultaat daarvan, het uiteindelijke kunstwerk, kan voor iedereen weer iets anders betekenen. De fotowerken van Hendrikx bevatten onmiskenbaar een esthetische kwaliteit, je zou kunnen zeggen dat het ‘mooie plaatjes’ zijn. Met dit gegeven heeft Hendrikx een ambigue verhouding. Enerzijds ordent ze de losse foto’s zo, dat een optisch evenwichtig en aantrekkelijk geheel ontstaat. Anderzijds beseft zij zich ook, dat iedereen een aardige afbeelding kan maken, maar waar wordt het meer dan dat? Van een goed kunstwerk verwacht je niet alleen visuele aantrekkelijkheid. Gelukkig krijg je hier meer. Je kunt nauwelijks naar het werk kijken zonder je bij jezelf twee vragen te stellen: ‘wat?’ en ‘waarom?’. Wat zie ik nu precies, en waarom wordt dit aan mij getoond? Dat de antwoorden niet meteen duidelijk zijn, betekent niet dat de vragen het stellen niet waard zijn. Het gaat hier om de zoektocht, van zowel de kunstenaar als de beschouwer. Natuurlijk zien we, hoewel pas na enige concentratie, de foto’s van gebouwen waaruit de werken zijn opgebouwd, en soms kunnen we ze herkennen. Maar bij sommige werken, bijvoorbeeld waar Hendrikx slechts fragmenten van haar foto’s gebruikt, lukt zelfs dat niet. We vragen ons af wat deze gebouwen of locaties met elkaar bindt, maar belangrijker nog, waarom de kunstenares ons juist dit wil laten zien. De fragmenten, wanneer ze zijn samengevoegd tot een nieuw geheel, vertellen ons iets over hun gedeelde en individuele eigenschappen. De componenten in een werk als Buildings blue (2010) zijn niet gecombineerd omdat ze een mooi blauwgekleurd geheel vormen. We leren het volgende: een ‘blauw’ gebouw is, wanneer je ervoor staat of een foto ervan bekijkt, blijkbaar nooit alleen blauw. Dan zouden we namelijk al die bouwsteentjes niet meer kunnen onderscheiden. Zelfs in het kleinste onderdeeltje van een foto van het gebouw zijn andere kleuren te ontdekken, dankzij ramen, reflecties of schaduwen. Op deze manier werkt het bijna schilderachtig: als je een wolk op doek wilt zetten, begin je wellicht met een witte vlek, maar daar voeg je grijstinten en andere kleuren aan toe totdat het op een echte wolk lijkt. Pas dan ben je je ervan bewust dat een wolk niet alleen wit is. Evelyne Hendrikx creëert een veelheid aan afbeeldingen, aan verschillende indrukken, die overweldigend zou kunnen zijn. Maar door het samenbrengen en ordenen van deze indrukken worden ze tot een nieuwe gemaakt. Zo word je als kijker geholpen om orde te scheppen in de chaos aan indrukken waarmee je vandaag de dag wordt doodgegooid. Je kunt elk willekeurig gebouw van alle kanten bekijken zonder er lijfelijk voor te hoeven staan; op internet zijn er ongetwijfeld talloze (amateur)foto’s van te vinden. Hendrikx doet iets vergelijkbaars: ze fotografeert een groot aantal gebouwen in een stad, of ze fotografeert alle details van een gebouw, zoals zo veel mensen onafhankelijk van elkaar doen. Maar zij voegt ze samen. Je ziet de essentie van een gebouw of van een hele stad in een afbeelding. Meer dan dit ene beeld heb je niet nodig. Hendrikx reageert ook op een andere manier op onze snelle beeldcultuur: door ervoor te kiezen om juist gebouwen vast te leggen, negeert ze mensen en objecten die normaal gesproken voortdurend om je aandacht vragen. Gebouwen staan er gewoon, ze dringen zich niet aan je op. Ze hebben een veel minder vluchtig karakter dan de nieuwste popsensatie, het zuinigste afwasmiddel uit een televisiereclame of een van de andere clichés die keer op keer in de media verschijnen. Hendrikx lijkt zich af te vragen: waarom zouden deze gebouwen minder interessant zijn, waarom zouden zij onze aandacht niet waard zijn? Als iets van belang wordt, enkel doordat het continu naar ons hoofd wordt geslingerd, kun je dan ook gebouwen interessant maken door ze honderden keren te laten zien? Door het grote aantal en de kleine schaal van de losse foto’s krijg je hetzelfde gevoel als door de snelle, flitsende, zogenaamd aantrekkelijke beelden op televisie: alles begint op elkaar te lijken. Hendrikx gebruikt dus de middelen van de beeldcultuur om daarop commentaar te kunnen geven. In dit werk is, op enkele uitzonderingen na, nergens een persoon of een ander teken van leven te ontdekken. Een gebouw zit als het goed is vol mensen, maar dat is van de buitenkant niet te zien. Het geheel dat uit de afbeeldingen van deze gebouwen wordt opgebouwd, krijgt zodoende een statisch, onpersoonlijk, haast doods karakter. Doordat dit beeld zo radicaal anders is dan de huidige beeldcultuur, wordt de beschouwer zich bewust van hoe het ook kan. Een andere reden waarom Hendrikx ervoor kiest om voornamelijk gebouwen vast te leggen, is de ruimtelijkheid. Ze is gefascineerd door de mogelijkheden van de ruimte, door de manier waarop een vorm zich verhoudt tot alles eromheen, door de mogelijkheid om ergens doorheen of langs te kunnen kijken, of juist niet. Bij elke afzonderlijke foto is de open ruimte belangrijk. Zelden zie je alleen een bouwsel; ook de lucht eromheen krijgt veel aandacht. Aan de andere kant legt ze ook het gebrek aan ruimtelijkheid vast, zoals in Front (2007), waarin je blik telkens op een oppervlak botst. Zelfs binnen haar thema weigert Hendrikx te kiezen voor de ‘mediagenieke’ opties. Er zijn genoeg gebouwen die bijna iedereen kent, zoals de Maastoren in Rotterdam of West Point in Tilburg. Ze geeft deze echter geen extra aandacht, maar plaatst ze midden tussen de onopvallende, inwisselbare gebouwen waar we elke dag ongemerkt langslopen. In werken over wereldsteden als Brussel en New York zien we niet prominent het Atomium of Empire State building, omdat dat een vertekend beeld zou geven. Een stad is meer dan alleen zijn blikvangers. En wanneer ze wel een bekend gebouw als onderwerp neemt, zoals in ‘Gebouw Delftse Poort’ (2010), versplintert ze haar afbeeldingen dermate, dat het een onherkenbaar geheel wordt. De kunstenares bepert zich niet tot enkel gebouwen. Ook gebergtes, bomen, interieurs en zelfs medische foto’s van haar eigen ogen zijn in haar collages verwerkt. Naast de genoemde strakke rasters heeft ze ook geëxperimenteerd met speelsere ordeningen van foto’s. Recentelijk maakte ze werken die bestonden uit kleine aantallen beelden, de afzonderlijke foto’s zo meer ruimte gunnend. Evelyne Hendrikx blijft zoeken naar manieren om ons haar idee van de werkelijkheid te laten zien. Tekst: Jorre Both |